Heeft een financiële investeerder in een samenwerking ook aanspraak op het daaruit voortvloeiende octrooi?
In samenwerking tussen bedrijven ontstaan regelmatig discussies over de volgende vraag: van wie is de innovatie/uitvinding eigenlijk? Er kunnen spanningen ontstaan in situaties waarin de ene partij investeert, en de andere partij ontwikkelt. Welke partij is dan (formeel) de rechthebbende? De rechtbank Den Haag heeft zich onlangs uitgelaten over een dergelijk geschil. Hier kan een belangrijke les uit geleerd worden!
Wat is een octrooi?
Als u een uitvinding heeft gedaan kunt u mogelijk een octrooirecht verkrijgen. Er zijn drie eisen waaraan u moet voldoen om een octrooi (ook wel patent genoemd) te verkrijgen: nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid. Met een octrooirecht verkrijgt u gedurende 20 jaar een soort van monopolie positie op deze uitvinding, waarmee u anderen kunt verbieden om uw uitvinding zonder uw toestemming te gebruiken. Hiervoor is echter wel vereist dat de uitvinding wordt ingeschreven in de daartoe bestemde octrooiregisters. Een octrooi kan zowel nationale gelding hebben als internationale gelding. Dit is afhankelijk van in welke landen het octrooirecht wordt aangevraagd. Een octrooi is in principe twintig jaar geldig. Wilt u meer weten van het octrooirecht? Dat kunt u hier lezen.
Een octrooi kan o.a. bestaan uit technische uitvindingen, recepten en medicijnen. Een voorbeeld van een uitvinding waar octrooi op heeft gerust is de klapschaats.
In principe is de uitvinder degene die aanspraak op octrooi heeft. De persoon die het octrooi aanvraagt wordt in principe als uitvinder beschouwd. Dit kan soms tot ongewenste situaties leiden waarin iemand als octrooirechthebbende wordt beschouwd, omdat hij het octrooi heeft aangevraagd, maar in feite niet de uitvinder is.
De zaak: investeerder wil octrooirecht opeisen
Wat was er aan de hand in de kwestie die speelde bij de rechtbank Den Haag? Een onderneming is actief in de verwerking van oliehoudende zaden en is sinds 2016 investeerder en tevens aandeelhouder in het bedrijf NapiFeryn. NapiFeryn is een biotechnologiebedrijf dat zich richt op onderzoek en ontwikkeling van methodes voor de productie van natuurlijke plantaardige eiwitten, met name uit koolzaadolie. De investeerder en NapiFeryn hebben aan het begin van de samenwerking een samenwerkingsovereenkomst gesloten waarin o.a. de investering is vastgelegd. Na verloop van tijd heeft NapiFeryn een technologie ontwikkeld waarmee uit oliehoudende zaden plantaardige eiwitten kunnen worden gewonnen en deze vervolgens in levensmiddelen kunnen worden gebruikt. Hiervoor heeft NapiFeryn zowel een Nederlands als een Europees octrooi voor aangevraagd. NapiFeryn wordt als rechthebbende beschouwd op de octrooien, omdat zij de aanvraag heeft gedaan.
De investeerder meent echter dat hij als geldschieter ook aanspraak kan maken op de octrooien en stapt naar de rechter. De investeerder vordert gedeeltelijke opeising van voornoemde octrooien. Hij is namelijk van mening dat NapiFeryn door zijn investering in staat is geweest om tot de uitvinding te komen en hij op grond van de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst voor 50% (mede) aanspraak maakt op de uitvinding.
Oordeel rechter: een louter financiële investering geeft op zichzelf geen recht op octrooi
De rechter geeft de investeerder ongelijk. De rechter oordeelt dat partijen in de samenwerkingsovereenkomst, naast afspraken over de investering, afspraken hebben gemaakt over eventueel te verkrijgen intellectuele eigendomsrechten (o.a. octrooi). De rechter stelt vast dat de samenwerkingsovereenkomst voorziet in gezamenlijk eigendom van intellectuele eigendomsrechten uitsluitend voor zover die voortkomen uit gezamenlijke onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden. De samenwerkingsovereenkomst bevat namelijk de woorden: ‘joint research and development works’. De rechter stelt vast dat de investeerder feitelijk geen wezenlijke bedrage heeft geleverd aan de uitvinding, nu hij hiervoor onvoldoende bewijs heeft aangevoerd. Daarnaast is ook niet bewezen dat het de intentie van partijen was dat de investeerder voor 50% (mede) aanspraak zou maken op eventuele toekomstige octrooirechten.
Welke les kan hieruit getrokken worden?
Uit de wet volgt niet dat een investering automatisch leidt tot (mede) aanspraak op een octrooirecht. Weliswaar kent de wet de regeling voor het geval dat een uitvinding is gedaan door verscheidene personen, die volgens een afspraak tezamen hebben gewerkt, op grond waarvan zij vervolgens gezamenlijk aanspraak op octrooi hebben. Het punt is echter dat het wel moet gaan om het gezamenlijk doen van een uitvinding. Daarvan was in deze casus geen sprake. De investeerder investeerde alleen, maar vond niet uit. De rechter bevestigt die lezing in zijn uitspraak.
Wilt u als investeerder of andere samenwerkingspartner zoiets voorkomen, zorg dan voor duidelijke contractuele afspraken en draag op voorhand aanspraken (deels) over. Zo’n afspraak moet voldoen aan wettelijke eisen. Benieuwd geworden hoe u dergelijke afspraken juist kunt vastleggen? Wij zoeken het graag voor u uit en helpen u graag bij het opstellen van de benodigde contractuele afspraken.
Uitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2024:8045.